Kniepstofverhalen

Inhoud

  1. De naam Kniepstof
  2. Wat Joachim Kniepstof graag wil
  3. Kniepstof en de volle maan
  4. Joachim Kniepstof en de muis
  5. Wat Joachim Kniepstof weet (en wat hij niet weet)

De naam Kniepstof

Het is bekend dat de familienaam Kniepstof nergens ter wereld voorkomt en dus eigenlijk niet bestaat. Toch wordt over herkomst en betekenis van die naam veel discussie gevoerd.
De ene groep is er van overtuigd dat Joachim kort na zijn geboorte zijn achternaam niet goed heeft verstaan. Er zou juist op het moment dat die bekend werd gemaakt, een trein zijn langs gereden. Vermoedelijk was dat een stoomlocomotief, gevolgd door een lange rij goederenwagons volgeladen met briketten en eierkolen, onderweg naar Het Beloofde Land, een etablissement dat in die tijd zeer in trek was onder de plaatselijke bevolking en waar ook de ouders van Joachim graag vertoefden. Dus geheel onwaarschijnlijk is deze theorie niet.
Een andere groep meent dat de achternaam Kniepstof gewoon door de pasgeborene zelf is bedacht. De familienaam Kniepstof bestaat immers niet en dus had Joachim ook geen ouders die zo heetten. Deze groep vormt echter een minderheid, en terecht: een baby verzint natuurlijk niet zijn eigen naam.
Ook etymologen zijn verdeeld over de kwestie. Er zijn er bij die menen dat de naam Kniepstof een verbastering is van de uitroep: Kniesjtoi!, wat in het oud-Bargoensch zoveel betekent als “Wat zullen we nu krijgen?” Volgens andere taalvorsers zou kniepstof een samentrekking zijn van de inmiddels in onbruik geraakte uitdrukking: “Dat is geknipte stof” (tegenwoordig spreken we van gesneden koek).
Ikzelf ben geneigd te zeggen: so what? Mocht de naam Kniepstof oorspronkelijk de betekenis hebben gehad van zo klaar als een klontje, een kind kan de was doen, of daar lusten de honden geen brood van: Wat doet dat er toe? Wie kan het eigenlijk wat schelen?

PS:
De naam Kniepstof is een onomatopee, oftewel klanknabootsing en ontstond ergens rond 1967 door het kraken van een houten plank in de vloer van mijn studentenkamer. Als ik op de plank stapte klonk het: “knièp…”, bij het terugveren hoorde ik: “stòf…”

Wat Joachim Kniepstof graag wil

Joachim Kniepstof wil graag iets vertellen over de allerlaatste ontwikkelingen rond de bijziende aardappelverkoper in de gezondheidsdienstdoende vrijwilligersvereniging, ook wel Snuitje geheten.

Snuitje is pas zeventien en een half jaar oud en weet van wanten als geen ander in dit weerbarstige uitgeversvak. Maar daarvoor heeft zij dan ook een opleiding afgerond die menigeen al in een heel vroeg stadium voor gezien zou hebben gehouden. Het gezegde dat een handvol steenkoolgruis in de ogen van de blinde doofpot de ketel verwijt zwart te zien, doet hier zeker opgeld. Het mag daarom een wonder heten dat er nog wat schamel licht door de kieren naar binnen valt zonder al teveel acht te slaan op het minzame gepeupel buiten de schuurdeur.

Slechts weinigen hebben oog voor de onweerlegbare overeenkomst tussen de kanariepiet in de steenkolenmijn en de eerste zwaluw in de lucht, zoals is afgebeeld op het befaamde lucifersdoosje uit Zweden.

Liever brood dan kolengruis, natuurlijk, maar dat neemt niet weg dat de wilskracht waarmee de buitenlander tegenwoordig hier in dit land zich staande weet te houden, bij menigeen respect afdwingt.

Zo valt er nog altijd een stevig touw vast te knopen aan de buitenboord motor van onze welvaartsstaat, om het maar eens poëtisch te zeggen. Maar als de trein is aangekomen op de plaats des onheils kan Snuitje de zaak weer op de rails zetten.

Kniepstof en de volle maan

Joachim Kniepstof zit aan zijn tekentafel en werkt zijn dagboek bij. De afgelopen weken zijn vermoeiend geweest, van schrijven is niet veel gekomen. Het liefst zou hij nu naar bed gaan. Liggen, slapen, dromen desnoods. Maar hij schrijft door, ook al zoemt zijn hoofd als het spreekwoordelijke transformatorhuisje in de stromende regen aan de overkant van de straat naast de rijwielzaak waarnaar de vrouw van de visboer eerder op de dag haar fiets had gebracht om een lekke band te laten plakken. Het loopt tegen middernacht en een eindje verderop in de kleine haven ligt de bescheiden vloot vissersboten klaar om uit te varen, de nacht in, de zee op, de volle maan tegemoet.
Joachim koestert de wirwar van schijnbaar onsamenhangende gedachten, evenals een veelheid aan zinloze vragen die bij hem opkomen, zoals: “Waar gaat dit over”?” en “Welke kant moet dit op?” en “Is het allemaal wel waar?” Want hoeveel mensen beseffen tegenwoordig nog hoe moeilijk het is om je als wrakhout drijvende te houden tussen zeewier en schelviskoppensnellende inboorlingen uit lang vervlogen tijden, terwijl een bende wegpiraten voortraast over de hobbelige keien van de kade, met achter op de bagagedrager van de fiets een bundel vergeelde zeekaarten, bijeen gehouden door stevig aangespannen snelbinders?
Aan veel dingen in het leven wordt maar al te vaak lichtvaardig voorbij gegaan. Het is nu eenmaal zo dat als het even tegen zit, er weinig interessants valt te melden over een Normandisch kustplaatsje als St. Valery-en-Caux en de beslommeringen van een doorgewinterde visverkoper in zijn stalletje aan de boulevard langs het brede kiezelstrand aldaar. Jazeker, de krijtrotsen zijn er indrukwekkend en het witgekalkte vuurtorentje aan het einde van de korte pier heeft zeker charme, maar dat neemt niet weg dat het alweer meer dan anderhalve eeuw geleden is dat in datzelfde havencafé waar nu koffie en thee wordt geschonken, de laatste Engels sprekende zeemeermin een dronk uitbracht op het vermaledijde smokkellaarsnest Polperro aan de overzijde van Het Kanaal. Het was daar in Cornwall dat zij haar fortuin verloren had, kort nadat de zwarte markt was ingestort, met als gevolg een dramatische afname van de vraag naar vlijmscherp geslepen scheermesschelpen, harpoenen van verdronken walvisvaarders, en scheepsankers bekleed met zeeëgelbond.

Joachim leunt achterover, leest terug wat hij heeft geschreven, staat dan op, loopt naar het raam en ziet in de verte nog net de laatste lichtjes van de vissersvloot vervagen aan de horizon. “Het klopt allemaal” constateert hij tevreden: “ik heb niets verzonnen, het regent nog steeds, en de maan is vol”.

Joachim Kniepstof en de muis

Joachim Kniepstof opent zijn ogen, werpt een blik op de klok en besluit dat het nog te vroeg is om op te staan. Hij draait zich op zijn zij en valt opnieuw in slaap: een grijze muis zit op zijn linker schouder terwijl hij op een oude stadsfiets de Mont Ventoux oprijdt. Hoe hoger Joachim komt, hoe sneller hij gaat. Op de top van de berg staat een groen geschilderde windmolen. De wieken staan stil. Er hangen ijspegels aan en overal ligt sneeuw. Nergens is een mens te zien, maar vanuit het halfopen raam van een overdekt zwembad klinkt pianomuziek. Joachim zet zijn fiets tegen de gevel en klimt via een ladder door het raam naar binnen.
Natuurlijk! Geen zwembad zonder springplank: Joachim neemt een aanloop, veert omhoog, blijft even hangen, zweeft dan langzaam omlaag en landt als een geoefend schaatser beneden op het ijs. Hij draait een rondje en glijdt daarna op ski’s verder door de sneeuw waarna hij zich per slee laat voorttrekken door honden die luid blaffend langs de kant van de weg met hem mee rennen terwijl hij met grote snelheid, diep over het stuur van zijn fiets gebogen, de steile helling aan de andere kant van de berg afrijdt. Wielrenners in zwart rubberen duikerspakken en felgekleurde badmutsen op het hoofd, schieten links en rechts voorbij. Zij lachen hem uit, joelen hem na, steken hun middelvinger op.
Misschien gaat hij toch minder hard dan hij denkt en staat hij in werkelijkheid stil… Waar zijn de trappers van zijn fiets? Waarom voelt hij geen wind en heeft hij het niet koud? Verbeeldt hij zich alles maar? Is dit soms een droom?
De grijze muis, springt van zijn schouder en scheert als een vleermuis weg, juist op het moment dat Joachim in volle vaart een haarspeldbocht nadert en merkt dat zijn remmen weigeren.

Met een schok is Joachim wakker.
“Mooi zo”, zegt hij op zijn horloge kijkend: “Tijd om op te staan.” Hij rekt zich uit, stapt uit bed en neemt een douche. Hij kleed zich aan, eet een boterham, drinkt drie koppen koffie en gaat aan het werk.
Halverwege de dag schiet het even door zijn hoofd: “Raar gedroomd vanochtend, ik weet niet meer precies waarover, maar er was iets met een vleermuis.” Hij pijnigt zijn geheugen. “Het kan ook gewoon een muis geweest zijn… en ik fietste… ja, ik zat op de fiets…”
Maar ’s avonds, nog voordat hij het licht uitdoet, herinnert Joachim zich ook dat niet meer. Hij valt in slaap, en de eerste helft van de nacht droomt hij helemaal niets.

De volgende morgen ligt er een dik pak sneeuw. Joachim slaat dit keer het douchen over en hij ontbijt pas nadat hij terug is van zwemmen. Als hij de deur van de keukenkast opent om de beschuitbus te pakken ziet hij dat er een witte muis gevangen zit in de val.

Wat Joachim Kniepstof weet (en wat hij niet weet)

Joachim Kniepstof is met zijn luchtballon geland op de binnenplaats van het kasteel, en hij weet maar al te goed dat zolang zijn kaplaarzen hem blijven passen bij het plaatsen van een kolossaal kanon tussen de kantelen van de kasteelmuur, en de eerste kapitein van de infanterie nog met zijn regiment onderweg is naar het seinwachtershuis naast de spoorwegovergang aan de overzijde van de brede grensrivier, hij zich geen zorgen hoeft te maken over de geestelijke gezondheid van de dienstdoende schoonmaker die in het café naast de bakkerij op het dorpsplein een calvados bestelt en onder de rok van de serveerster het stokbrood verstopt waarmee hij na sluitingstijd de enige beschikbare taxichauffeur overhaalt hem snel naar huis te rijden, waar hij nog net voordat het onweer losbarst de staldeuren vergrendelt om te voorkomen dat de paarden in paniek raken en de ganzen alarmeren waardoor de jachthonden van de buren vervolgens met hun aanhoudend geblaf iedereen een nacht lang uit hun slaap houden.
Maar wat Joachim Kniepstof niet weet, is waarom in de loop van dat kolossale kanon op de muur van het kasteel een cape verborgen zit die ooit werd gedragen door een kapster, die korte tijd een affaire had met dezelfde dienstdoende schoonmaker over wiens geestelijke gezondheid Joachim zich geen zorgen meent te hoeven maken. Die kapster is tegenwoordig serveerster in het café naast de bakkerij, en de huidige maîtresse van de eerste kapitein van de infanterie die onderweg is naar het seinwachtershuis waar de enige beschikbare taxichauffeur van het dorp zojuist het stokbrood heeft bezorgd dat hem ’s nachts na sluitingstijd was aangeboden door de dienstdoende schoonmaker in ruil voor een snelle rit terug naar huis.

Kwade tongen beweren dat de bakker – wiens vrouw de uitbater is van het café – bevriend is met de oudste dochter van de seinhuiswachter, en dat de taxichauffeur een oogje heeft op het neefje van de voormalige eigenaresse van de naast de bakkerij gevestigde kapsalon waar het kortstondige liefje van de dienstdoende schoonmaker een tijdlang werkte, totdat de zaak op de fles ging. Dat neefje is het jongste broertje van de kapster die na het sluiten van de kapperszaak zonder werk zat en op voorspraak van de eerste kapitein van de infanterie als serveerster in dienst kwam van de bakkersvrouw die, in het vrijgekomen pand naast de bakkerij, een café wilde beginnen en er om bekend stond een zwak te hebben voor elke man in uniform.
Niet voor niets was zij ooit tijdens een open dag van de plaatselijke bakkersvakschool, als een blok gevallen voor de knappe, bebrilde leerling bakker met zijn smetteloos witte broek, muts en schoenen en zijn onberispelijke bakkersbuis met dubbele rij zilverkleurige knopen. Zelf was zij alles behalve knap en ging ze altijd slecht gekleed. Bovendien kwam ze uit een arm gezin, zodat menigeen zich afvroeg wat de bakker in haar zag.
Ze bleek echter heel goed met het geld om te kunnen gaan dat haar kersverse verloofde na het behalen van zijn diploma, als freelance bakker verdiende, waardoor het stel snel na hun huwelijk de bakkerij kon overnemen van de oude bakker van het dorp, die met pensioen ging en kort daarop overleed.

Of het een idee was van de vrouw van de nieuwe bakker of van hemzelf weet niemand, maar al sinds jaar en dag is in de bakkerswinkel nooit meer dan één stokbrood te krijgen, niet per klant, maar per dag. Daarbij geldt de stille afspraak, dat wie het stokbrood koopt, dat niet zelf opeet maar doorgeeft aan een buurman of een andere inwoner van het dorp, die het vervolgens ook weer doorgeeft, enzovoort, net zo lang tot het brood weer terug is bij de bakker. Vanzelfsprekend gebeurt dat in de praktijk zelden of nooit, zodat de bakker altijd nog een tweede stokbrood bakt, dat niet in de winkel belandt, maar op de broodplank in de keuken, naast het broodmes, en dat hij ’s avonds opeet bij de warme maaltijd, samen met zijn vrouw.

Een aantal buren van de dienstdoende schoonmaker heeft er een gewoonte van gemaakt iedere keer nadat het heeft geonweerd, met een petitie langs de nabijgelegen huizen en het kasteel te gaan, waarin protest wordt aangetekend tegen diens bezit van paarden en ganzen. Zoals alle voorgaande keren ook ditmaal zonder succes, want noch de eerste kapitein, noch de serveerster, noch de bakker en zijn vrouw, noch de taxichauffeur, noch de seinhuiswachter en zijn oudste dochter, noch de voormalige eigenaresse van de voormalige kapsalon of haar neefje, het jongste broertje van de voormalige kapster die nu glazen calvados serveert in dezelfde ruimte waar zij een half jaar eerder voor de allerlaatste maal de snor bijknipte van de kanonnier aan wie ze bij wijze van afscheid haar kapperscape meegaf voordat zij de deur van de zaak definitief achter zich dicht trok, noch het regiment infanteristen wilde de petitie tekenen. De enigen die dat wel deden waren de paardenslager en de poelier. En de kanonnier met de gesoigneerde snor. Maar die drie medeondertekenaars zijn niet genoeg om de gemeenteraad te overtuigen van de noodzaak tot ingrijpen, en bovendien laden twee ervan te zeer de verdenking op zich een persoonlijk belang na te streven met hun steun aan de actie.

Joachim Kniepstof weet niets van de serveerster die voorheen kapster was, of van haar verhouding met de eerste kapitein van de infanterie in wiens opdracht hij het kanon plaatst tussen de kantelen van de kasteelmuur en waarvan de loop gericht is op het seinwachtershuis aan de overzijde van de grensrivier. Ook heeft hij geen kennis van de nachtelijke taxirit van de dienstdoende schoonmaker en het gedoe met het stokbrood of de roddels over de vriendschap tussen de bakker en de oudste dochter van de bewoner van het seinwachtershuis. Alles wat hij weet is dat hij een geparfumeerde kapperscape heeft aangetroffen op een plaats waar hij dat niet had verwacht, op een moment dat hem niet goed uitkomt. Hij vermoedt elk ogenblik de komst van de kanonnier met de gesoigneerde snor, die door de eerste kapitein is aangesteld als inspecteur en natuurlijk niet tevreden zal zijn over de vondst van een zwaar naar parfum en eau de cologne riekend kledingstuk in de loop van zijn kanon. Joachim kan het niet schelen waar de lap stof vandaan komt of wie hem in het kanon heeft gestopt, hij wil alleen weten hoe hij er zo snel mogelijk vanaf komt. Bij gebrek aan een beter idee besluit hij de cape over de kasteelmuur te kieperen. Maar eerst werpt hij een blik naar beneden om te kijken of er niet toevallig iemand onder staat, of juist in aantocht is, de inspecteur bijvoorbeeld.
Dat laatste blijkt het geval. De kanonnier met de gesoigneerde snor nadert met zijn gevolg de ophaalbrug naar het kasteel. Hij zit schrijlings op een muilezel die aan de hand wordt meegevoerd door een in rood livrei gestoken schildknaap. Zijn gevolg bestaat uit veertien pauwen die in twee gelijke rijen naast elkaar voortschrijden. Een rij blauwe en een rij groene pauwhanen. Alle veertien hebben zij de staartveren als een waaier opgezet, hoewel er in de wijde omgeving geen vrouwtjes pauw te zien is. De inspecteur-kanonnier draagt een middeleeuws harnas en een helm met omhoog geklapt vizier. Boven op de helm prijken drie struisvogelveren: een blauwe, een groene en een rode pluim. Op zijn nek torst de hij een groot rond voorwerp. Het lijkt een reusachtig ei, rustend op een kussen dat met twee riemen die elkaar ter hoogte van de borst kruisen, achter op zijn rug is vast gebonden. Of is het een kanonskogel? Joachim kan het niet goed zien. “Het is waarschijnlijk een kanonskogel” zegt hij bij zichzelf, “Wat zou de kanonnier met een struisvogelei moeten? Hoe dan ook, die is voorlopig nog niet boven.” Zorgvuldig vouwt hij de kapperscape weer op, en stopt die behoedzaam terug in de loop van het kanon. Dan trekt hij zijn kaplaarzen uit. Hij schuift de linker in de rechter en gooit het paar met een welgemikte worp tussen de kantelen door naar beneden. Ze belanden met een plons in de slotgracht. “Niets zo veranderlijk als een Kniepstof” fluistert Joachim terwijl hij zijn hoofd in de loop van het kanon steekt. “Eigenlijk is het ook wel goed zo: het kanon staat op zijn plaats, de kanonnier is onderweg met de kanonskogel en als dat ding straks wordt afgevuurd is daarmee ook het probleem van de cape opgelost.”

De eerste kapitein van de infanterie raakt onderweg met zijn regiment naar het seinwachtershuis in heftige discussie met zijn eerste en tweede luitenant over de geldigheid van zijn militaire rang. De eerste luitenant, die het ook al niet eens is met het gekozen doel van de exercitie, waagt het, aangemoedigd door de tweede luitenant, de eerste kapitein te confronteren met het feit dat er in het leger niet zoiets bestaat als een eerste, tweede of derde kapitein. Tenzij men het heeft over de volgorde waarin drie verschillende kapiteins ten tonele verschijnen, zoals je kunt spreken van een linker, rechter en middelste kapitein op een groepsfoto. Maar dat is hier niet het geval.
De eerste kapitein heeft veel meegemaakt in zijn militaire loopbaan, maar dat twee van zijn direct ondergeschikten in het bijzijn van zijn manschappen de moed hebben de juistheid van zijn rang te betwisten, brengt hem voor het eerst van zijn leven van zijn stuk. Hij werpt tegen dat hij niet zelf de militaire rangorden heeft bepaald, dat er met ‘eerste kapitein’ misschien bedoeld wordt ‘de eerste de beste’ of gewoon: ‘de beste.’ Wanneer dat hem op hoongelach komt te staan, oppert hij nog zwakjes dat ‘de eerste’ natuurlijk ook staat voor primeur: ‘de eerste kapitein met de rangorde van eerste kapitein’ maar hij beseft dat hij zijn aanzien als bevelhebber van zijn eenheid aan het verliezen is. Hij voelt de grond onder zich wegzakken. Zijn twee luitenants zijn altijd en overal, onder de meest barre omstandigheden zijn steun en toeverlaat geweest, hij kon steeds op ze vertrouwen, zij waren onbetwist zijn beste raadgevers, wisten zelfs vaak beter dan hijzelf welke beslissing hij moest nemen in crisissituaties. En nu ineens vallen zij hem af.
Of vallen zij hem aan? Is dit rebellie? Wordt hier een coup gepleegd? Zijn eerste luitenant is ten slotte officieel zijn plaatsvervanger. Die neemt zijn rol als aanvoerder over mocht hij zwaargewond raken of ziek, of zijn verstand verliezen… zoals nu misschien wel het geval is.
Hij begint aan alles te twijfelen. Is hij wel kapitein, heeft hij wel een regiment, en bestaat er wel een seinwachtershuis? En zo ja, wat heeft hij daar te zoeken, waarom zou hij daar met een leger heen moeten. Met welk doel?
Ineens besluit hij rechtsomkeert te maken, terug naar zijn kasteel, kijken of het kanon al op zijn plaats staat. Hij verlangt naar zijn serveerster.
Hij is vastbesloten. Zonder zijn luitenants te raadplegen geeft hij het bevel. Mocht niemand hem gehoorzamen, dan gaat hij alleen. Maar zijn manschappen volgen. De eerste en de tweede luitenant voorop, die hadden de hele exercitie altijd al een slecht plan gevonden, maar zij stellen wel één voorwaarde…
Met pijn in het hart geeft de eerste kapitein toe, en doet afstand van zijn rang als eerste kapitein. Voortaan is hij alleen nog kapitein. Hij ervaart het als een vernedering, en wanneer blijkt dat na terugkomst op het kasteel de beide luitenants worden bevorderd, en wel tot eerste en tweede kapitein, roept de kapitein zichzelf wanhopig uit tot ‘de allereerste kapitein’.
Maar als de eerste minister ter ore komt dat de kapitein van de infanterie, zich zonder enige legitimiteit, de status van allereerste kapitein heeft aangemeten, besluit hij deze terstond te laten fusilleren. Het zijn de eerste en tweede kapitein die het peloton het bevel tot vuren geven.

De serveerster in het dorpscafé verneemt het nieuws rechtstreeks van haar baas, de bakkersvrouw, die in tranen is. De serveerster belt gelijk de echtgenote van de allereerste kapitein om haar met het verlies van haar man te condoleren.
De dienstdoende schoonmaker en de enige beschikbare taxichauffeur die samen aan een tafeltje in het café zitten en glaasjes calvados drinken met het neefje van de voormalige eigenaresse van de kapperszaak tussen hen in, zwijgen.
De seinhuiswachter en zijn dochter staan aan de toog en staren naar de pul bier die zij kregen toegeschoven door de bakker achter de tap die, tegen zijn gewoonte in, een glas cognac heeft ingeschonken voor zichzelf.
Het is doodstil, niemand zegt een woord, behalve de serveerster die via de telefoon een lang gesprek voert met de weduwe van haar geëxecuteerde minnaar. Maar ook zij valt stil wanneer ineens met veel lawaai de cafédeur open zwaait en de kanonnier met de gesoigneerde snor in de deuropening verschijnt. Hij draagt koolzwarte kaplaarzen met staalblauwe neuzen en is gekleed in het purperen kostuum van een Keulse kolonel uit de tijd van koning Karel de Krankzinnige. Op zijn linkerschouder zit een opgezette bruine uil. Hij klikt drie maal met zijn hielen, strekt de rechterarm schuin omhoog en roept luid: “Tijl Spieghel!” Meteen stapt hij het café binnen en loopt met grote passen op de barman af. De bakker knijpt zijn cognacglas stuk en deinst achteruit, struikelt over de etensbak van de hond en valt ruggelings tegen de spiegelkast met flessen drank.
De kanonnier wordt op de voet gevolgd door de eerste en de tweede kapitein die hand in hand het soldaten lijflied aanheffen dat iedereen kent en niemand begrijpt:
“Tijl Spieghel is zijn naam, hij is voor niemand bang, want hij vertrouwt de bruine uil die op gezette tijden, de muizen uit hun huizen jaagt, de steenmarters op stang. Tijl Spieghel en de meiden, Tijl Spieghel en de tang, die slaat op alle varkens, van speen tot ratelslang. Wie helpt ze uit hun lijden. Wie zal ze straks bevrijden? Tijl Spieghel, Tijl Spieghel…” Enzovoorts.
De Kanonnier grijpt de seinhuiswachter bij zijn kiel, went zijn hoofd naar het tafeltje met de schoonmaker en de taxichauffeur en schreeuwt: “Waar is die Kniepstof gebleven, wie heeft hem helpen ontsnappen, waarom heeft hij z’n laarzen weggegooid, wat heeft hij met die cape gedaan?!“ Iedereen zwijgt, want niemand weet het antwoord. Joachim Kniepstof is nog nooit in het café gezien, eigenlijk kent niemand hem, de enige die contact met hem had was de allereerste kapitein, en die is dood.
De kanonnier in het purperen kolonelskostuum knipt met zijn vingers en de twee kapiteins blazen tegelijk op hun fluit. Onmiddellijk komt het eerste regiment infanterie, dat buiten op het dorpsplein in slagorde had klaar gestaan, tot actie. Zij bestormen het café en grijpen de bakkersvrouw en de serveerster bij hun middel. De bakkersvrouw wordt door een soldaat mee naar buiten gesleurd en de bakkerij ingeduwd. De serveerster wordt het schort van het lijf gescheurd en een van de infanteristen duwt haar het nog warme stokbrood van de bakker onder de rok terwijl hij haar tegen de tapkast drukt. De seinhuiswachter en zijn oudste dochter, de taxichauffeur en het neefje van de voormalige eigenaresse van de kapperszaak, worden evenals de bakker en de hond met touwen vastgebonden aan een biervat. Dan, op een teken van de kanonnier trekt het regiment zich terug, de eerste en tweede kapitein en de kanonnier verlaten het pand en steken het in brand. De aangerukte brandweerlieden worden tegengehouden en samen met de overige bewoners van het dorp in veewagens afgevoerd en verderop in het bos met bajonetten, kapmessen en mitrailleurs omgebracht. Daarna wordt het hele dorp met de grond gelijk gemaakt.

Joachim Kniepstof heeft van al deze gruwelijke gebeurtenissen geen weet. Hij weet niets van het lot van de allereerste kapitein, noch van de uitroeiing van de bewoners en de vernietiging van het dorp. Want als Joachim zijn kaplaarzen over de vestingmuur heeft gegooid, besluit hij de inspectie van de kanonnier niet af te wachten en het slot spoorslags te verlaten. Per luchtballon.
Blootsvoets staand in de rieten mand ziet hij beneden zich het dorp met het kasteel kleiner worden. Geluidloos zweeft hij boven het bos, verder omhoog, over de grensrivier, voorbij het seinwachtershuis, voorbij de duinen, voorbij de zee, voorbij de blauwe lucht, voorbij de wolken, voorbij de dag, voorbij de nacht. Voorbij de maan, de sterren en de zon. Voorbij het licht, voorbij de tijd. Voorbij het alles, voorbij het niets.

TERUG